Jhonny

mahler656Al van kleins af aan ken ik het verhaal over het joodse jongetje dat mijn moeder heeft gered uit handen van de Duitsers. De belangrijkste zaken heb ik regelmatig gehoord, maar hoe zat het nu precies? Naarmate mijn moeder ouder wordt, is het steeds belangrijker om het verhaal goed te horen. Zodat het bewaard blijft. Van een verhaal zijn natuurlijk altijd verschillende lezingen. Daarom vertel ik eerst het verhaal van mijn moeder. Daarna wilde ik nog meer weten en vond toen weer het verhaal dat Jhonny/Johnny (zoals hij het zelf schrijft)/Jules het zelf voor ons heeft opgeschreven. Dat heb ik ongewijzigd opgenomen, want het is zijn verhaal.

Het verhaal van mijn moeder

5 mei 2014
Mijn moeder, Leny van Hofslot-Vermoolen, kan het gelukkig nog goed vertellen. ‘Ik heb het verhaal altijd heel goed in mijn hoofd gehad, omdat het zo belangrijk is. Niet alles weet ik nog, maar veel nog wel. Ik kom uit een groot gezin met 9 kinderen. Op 19 mei 1927 werd ik als zevende kind geboren. Mijn ouders hadden eerst een grote boerderij aan de overkant van de Birkstraat in Soest. Toen mijn vader ziek werd, verhuisden ze naar de andere kant van de straat waar hij een pluimveebedrijf runde. Het boerenleven sprak mij totaal niet aan, daarom wilde ik al op jonge leeftijd een andere kant op. Zo volgde ik een opleiding voor lingerie en kostumiere. Eigenlijk wilde ik verder met de opleiding voor coupeuse, maar het leven nam een heel andere wending.

In de zomervakantie van 1942 kregen mijn ouders de vraag of ik bij een jong echtpaar met een klein kind kindermeisje wilde worden. Op 1 augustus trad ik in dienst bij de familie van Rooijen in Soest-Zuid. Jhonny was in juli 1 jaar geworden en kon net lopen. Zijn vader maakte daar veel foto’s van. Zijn ouders waren een jong stel van 21 en 22 jaar. De vader was mede-eigenaar van een sobrassefabriek. Overdag werkte ik er als kindermeisje, eigenlijk weet ik niet meer zo goed wat ik allemaal deed. Want wat kan een meisje van vijftien?
Op 24 oktober verhuisde het gezin naar Soestduinen. Achteraf gezien was dat natuurlijk al een vlucht maar daar had ik toen geen weet van. Vanaf dat moment woonde ik dag en nacht bij het gezin. We hadden kamers in pension Simmernoch dat werd beheerd door juffrouw van de Sluis. In eerste instantie waren er meer bewoners maar op het laatst waren wij geloof ik nog maar de enigen.

Na drie weken hoorde ik om 11 uur ‘s avonds een enorm lawaai beneden. De moeder was vroeg naar bed gegaan omdat zij zich niet lekker voelde. Ik was om 9 uur gaan slapen. Het lawaai verplaatste zich naar boven. Naast mijn bed stond een politie-agent uit Utrecht en een Rijksduitser. Ik vroeg wat er aan de hand was. Ze schreeuwden of er joden in huis waren. Ik had geen idee wat joden waren, want thuis werd er nooit over politiek gesproken. We hadden ook geen radio waarmee we het nieuws volgden. Er werd nooit gesproken over de oorlog. De Rijksduitser keek onder mijn bed of ik daar iemand verstopt had. Gelukkig had ik mijn persoonsbewijs bij me dat ik in mei had gekregen. Want daarmee kon ik aantonen dat ik geen jood was.

Beneden werd er hard geschreeuwd. Op een gegeven moment kwam Annie, mevrouw van Rooijen, naar boven. Met verwilderde ogen keek ze me aan en vroeg of ik voor Jhonny wilde zorgen. Onder aan de trap stond de Duitser tegen ons te schreeuwen.
Om 11 uur kwamen ze en om 2 uur ‘s nachts zijn ze pas weg gegaan. Ik heb geen idee waarom ze zo lang zijn gebleven. De vader heb ik niet meer gezien.

Later hoorde ik dat tante Suze, de zus van Annie, onder de tafel zat. Ze kon zich makkelijk verstoppen omdat toentertijd lange tafelkleden normaal waren. Toen haar zus en man werden weggevoerd, kwam ze tevoorschijn. Want ze wilde niet alleen achterblijven in het huis. Zij heeft de oorlog overleefd.
Natuurlijk heb ik daarna niet meer geslapen. ‘s Ochtends zat de compagnon van meneer van Rooijen beneden. Meneer Jacobs kende ik daarvoor als een vriendelijke man die altijd vol lof was over de familie van Rooijen. Die ochtend schold hij ze uit voor vuile jood en andere bewoordingen. Ik weet nog goed dat ik daar niets van begreep, omdat hij daarvoor altijd zo lovend was. Achteraf gezien heeft hij de familie verraden omdat hij de fabriek voor zichzelf wilde. Jacobs hielp mij om de kinderwagen in te pakken en aan de fiets te binden waarna we samen met Jhonny en de hond Freya naar mijn ouders gingen. De hond herinner ik me ook nog. Jhonny kon in die tijd drie dingen zeggen: ‘papa huh, mama huh en freya huh.
Achteraf gezien was het wel vreemd dat hij die ochtend daar was en mij naar mijn ouders bracht. Voor zover ik me kan herinneren werden er helemaal geen vragen gesteld toen ik thuis kwam. Het enige wat ik nog weet is dat mijn vader me vroeg of ik wel op wilde schieten om op tijd te zijn in de kerk.
Dezelfde avond moest ik naar een boerenfamilie waar ik nog zes jaar heb gewerkt. Er werd nergens over gesproken. Tijdens de bevrijding op 5 mei 1945 brak de spanning en moest ik veel huilen over wat er was gebeurd. De boerin keek me aan en vroeg waarom ik zo lang na de gebeurtenis nog moest huilen. Ze vond mij maar kinderachtig omdat het al zo lang geleden was. De herinneringen heb ik bewust ver weg gestopt omdat het te pijnlijk was. Gedurende het jaar lukt het om er nauwelijks aan te denken, maar met dodenherdenking op 5 mei heb ik er altijd veel last van. Naarmate ik ouder word, wordt dat gevoel sterker.

De ouders van Jhonny werden eerst naar Utrecht gebracht en vervolgens op transport gesteld naar Duitsland. In Amersfoort is de moeder bij het overstappen onder een stilstaande trein gaan liggen. Zij kon zo vluchten naar Groningen waar ze gedurende de oorlogsjaren heeft gewerkt als verpleegster. Elk jaar kregen we een kaart van familie De Vriend waardoor we wisten dat ze nog in leven was. Mijn ouders stuurde dan af en toe een foto. Zijn vader is overleden in een vernietigingskamp.

Jhonny werd het tiende kind in ons gezin. De buurt wist natuurlijk wel dat het niet een eigen kind was en dat het om een joods jongetje ging. Het voorhuis van mijn ouders was in die tijd geconfisqueerd door de Duitsers. Als zij vragen stelden, dan zei mijn moeder dat het een nakomertje was en dat de wonderen de wereld nog niet uit waren. Ik was helemaal niet bang voor deze Duitsers. Er werd veel gezongen. Je moest over ze heen stappen als je naar de slaapkamer wilde. In de boerderij was het gezellig..
Ik weet nog dat mijn ouders in een geblindeerde koets naar Amsterdam zijn gegaan met Jhonny, omdat zijn opa en oma hem graag wilden zien. Achteraf gezien sta je verbaasd van het risico dat ze namen, maar ik denk dat ze er niet echt bij stilstonden. Op tafel bij de Duitsers lag regelmatig een stapel met ‘ausweisen’ van joden die opgepakt moesten worden. Mijn broer heeft mij wel eens verteld dat mijn moeder af en toe kaarten uit de stapel haalde van mensen die ze kende zodat ze niet opgehaald konden waren. Dat waren voor haar geen heldendaden, ze stond er waarschijnlijk helemaal niet bij stil welk risico ze nam.

Jhonny hoorde echt bij ons gezin en we waren stapelgek op hem. Voor mijn jongste broer die echt een nakomertje was, was het ook moeilijk. Daarvoor werd hij op handen gedragen en nu was er een nieuw kind die alle aandacht opeiste. Jhonny, die zichzelf later Jules noemde, heeft mijn ouders altijd als zijn ouders beschouwd. Na de oorlog werd hij herenigd met zijn moeder die in Amsterdam ging wonen. De overgang is voor hem altijd moeilijk geweest en hij heeft nooit een goede band gekregen met zijn moeder.

Het gezin heeft altijd goed contact gehouden met Jules. Hij kon zelf goed praten over de geschiedenis en wist wat er was gebeurd. Zelf kreeg hij twee zonen. Vooral Micha had veel interesse in de familiegeschiedenis. Zo heeft hij uitgezocht dat van de familie van 140 personen er na de oorlog nog maar zeven in leven waren, waaronder zijn moeder en tante. De rest was vermoord in de kampen. Jules praatte er redelijk nuchter over. Zijn relatie met zijn moeder bleef wel moeilijk.

Mijn jongste broer heeft veel zaken nog geprobeerd uit te zoeken maar het was heel lastig om de juiste gegevens  boven water te kregen. Er bleken zoveel varianten te zijn op hetzelfde verhaal dat hij er geen touw meer aan vast kon knopen. De geschiedenis heeft de verhalen ook vervormd. Maar ik weet het verhaal van Jhonny nog precies.’

Het verhaal van Jules

Toen mijn ouders veertig jaar waren getrouwd heb ik familie en vrienden gevraagd om een pagina voor ze te maken waar we een boekje van hebben gemaakt. Het boek heb ik van haar moeder gekregen. Ik kon me herinneren dat Jules, die later zijn brood verdiende als journalist voor een Friese krant, ook een verhaal had gemaakt voor het boek. Hieronder vind je zijn versie.

1999
Zij die één mens redt, redt de hele mensheid
‘Hij die één mens redt, redt de hele mensheid.’ Deze bekende woorden vormden de programmatitel van de zevende miniconferentie ‘het ondergedoken kind’. Niet ver waar vandaan onderstaand verhaal zich verder af zal spelen, in Amersfoort, vond ook onderstaande geschiedenis deels plaats, in Soest (De Birk) en Soestduinen. Dit wordt een verhaal waarvan alles op verschillende tijdstippen, in overlevering en in flarden is verteld door verschillende mensen. Deels zijn het op 25 oktober 1945 na de oorlog op schrift gestelde beschuldigingen van Anna van Rooijen-Wagenhuis. Deze waren onder andere op papier gezet voor een veroordeling van een zekere Jacobs en om financiële genoegdoening te krijgen voor verloren bezittingen van de Van Rooijens, Wagenhuizen en andere familieleden. Dat wordt nu met alle mogelijke onjuistheden aan het papier toevertrouwd. De enige persoon die het echte verhaal voor het grootste deel kent, was en blijft Lena/Leni zelf.

In de Tweede Wereldoorlog zagen Willem en Anna van Rooijen-Wagenhuis tijdens de Duitse bezetting ‘de bui’ hangen. Ze besloten met valse papieren als ‘ariërs’ door het leven te gaan. Na 1 juli 1942 werd het adres Amstel 196 te Amsterdam verlaten, de inboedel werd opgeborgen. In eerste instantie werd in de zomer van 1942 een villa gehuurd in de Ferdinand Huiklaan bij de familie van Oorschot in Soest-Zuid. Als hulp in de huishouding werd Lena van Hofslot aangetrokken. Daar zette het op 17 juli 1941 geboren zoontje Johnny zijn eerste stappen. Dat werd in augustus 1942 door zijn vader op een foto vastgelegd. Hij liep daar door de tuin onder het toeziend oog van zijn moeder en Lena.

De familie van Oorschot waren kennissen van ene rechercheur Henk Jacobs. Oorschot wist niet dat deze familie joden waren. Jacobs deed zich voor als anti-Duits. Hij was het mede die de familie van Rooijen tot onderduiken aanzette. Verschillende familieleden waarschuwden de Van Rooijens voor deze zogenaamde ‘niet-foute’ rechercheur. Dat was tevergeefs, naar wat later zou blijken. De verhouding tussen Jacobs en de familie werd hoe langer hoe vertrouwelijker. Men was erg dankbaar voor zijn steun en het medeleven.

Na een paar maanden werd er verhuisd naar Simmernocht, Beaufortlaan 12 te Soestduinen. Op dit adres werden zij op 14 november 1942 gearresteerd in tegenwoordigheid van dezelfde Henk Jacobs die met de Duitse Sicherheidsdienst (SD) was meegekomen. Een zusje van Anna van Rooijen-Wagenhuis, Roza, die samen met haar vriend Johannes Holwedel (niet-jood) daar jammer genoeg logeerden, vluchtten naar een andere kamer en verstopten zich. Alle vier werden gearresteerd en overgebracht naar het politiebureau te Soest.

Begin van verbond

Volgens een schriftelijke verklaring van Anna van Rooijen-Wagenhuis hebben de ‘heren’ die de mensen arresteerden nog de zaterdag en zondag in de woning onder genot van radiomuziek drinkend en etend doorgebracht. De veertienjarige Lena moet daar getuige van zijn geweest. Want er werd nog wel na lang soubatten ‘een deal’ gesloten. De peuter mocht de volgende ochtend door Lena meegenomen worden naar Lena’s ouderlijk huis in de Birkstraat 72 (nu 130) te Soest-Zuid. In het gezin van Hofslot bracht hij de oorlog door. Johnny had zo een onbezorgde uitstekende prille jeugd. Lena’s zuster Marie had er een halve of hele dagtaak bij en Lena moest al de volgende ochtend aan de slag bij de overburen, omdat er geld op de plank moest komen. Lena had het daar uiteraard heel erg moeilijk mee. Lena: ‘Ik heb daarom nog heel wat traantjes gelaten.’ Dit was het begin van een relatie, lotgenootschap of verbond tussen onze families.
Dage waren maanden en maanden werden jaren. Lena werd Leni tijdens een opleiding tot gezinsverzorgster. Johnny nam zijn oude naam Jules weer terug tijdens zijn puberteit. In Soest bleef het meestal bij Johnny en Lena. Johnny ging terug naar zijn getraumatiseerde moeder, die als een van de weinigen de oorlog had overleefd. Als het even kon, ging Johnny letterlijk en figuurlijk op vakantie naar Vader en Moeder, zoals hij de ouders van Lena noemde. Dat waren voor hem de rustpunten in een zeer slechte relatie met zijn eigen mama. Lena trouwde met Joop en ze kregen de kinderen Hetty, Marga, Els (later Sarah) en Joost. Het contact bleef door de jaren heen met de Vermoolens, Hofslots en nieuw geborenen Van Rooijens. Eén daarvan Micha, werd op de geboortedag van Leni, op 19 mei, geboren.

Nu vieren wij feestelijk, met als ‘scheepsmotoren’ hun kinderen het veertigjarig huwelijk met Joop en Leni. De nog mede dankzij Lena levende Van Rooijens, danken haar nogmaals en wensen het bruidspaar en hun kinderen nog een lang en gelukkig gezond leven met elkaar. Wij hopen daarbij te mogen blijven zijn.

Bedankt!
Jules

Mijn verhaal

En natuurlijk heb ik ook mijn verhaal. Ik kan me nog herinneren dat ik Jules en zijn vrouw en kinderen voor het eerst zag in Hilversum. Ze hadden jaren lang in Israël gewoond. Een boerderij in een gehucht in Friesland werd hun nieuwe bestemming. Regelmatig bezochten we Jules, Marion, Micha en Amir. Voor ons was het ook een soort familie met wie je een speciale band had.

Over Jules heb ik onderstaand verhaal gemaakt begin juni 2000 terwijl ik in het ziekenhuis lag. Daarna ben ik onder moeilijke traumatische omstandigheden bevallen van een tweeling. De gevolgen van die bevalling en de moeilijke periode daarna hebben lang mijn leven beheerst. Om het van me af te schrijven, schreef ik in die tijd veel columns. Waaronder onderstaande.

Week 36 (juni 2000)
In het ziekenhuis
Heel vaak zie je dat wanneer iemand geboren wordt er ook iemand sterft in de nabije omgeving. Leven en doden horen onlosmakelijk bij elkaar. In ons geval betreft het Jules. In de Tweede Wereldoorlog werkte mijn moeder als 15-jarige gezinshup bij een joods gezin. ‘s Nachts vond er een razzia plaats en de ouders werden meegenomen. De baby werd aan mijn moeder toevertrouwd die het naar haar eigen huis bracht. Daar werd Jules opgevoed als het nakomelingetje van mijn opa en oma. Jules eerste levensjaren vormden de basis voor een sterke band tussen hem en mijn ouders familie. Zijn vader kwam met vele andere familieleden om in een concentratiekamp. Zijn moeder sprong uit de trein en wist te overleven tijdens de oorlog door onder te duiken. De relatie tussen Jules en zijn moeder is nooit goed geweest. Hij trok veel meer naar mijn moeder en haar familie toe. Hij wilde tijdens zijn leven nooit veel weten van wat er uiteindelijk in de oorlog is gebeurd. En nu is Jules dus heel erg ziek. Hij kan elk moment overlijden en mijn moeder heeft het er moeilijk mee. Gisteren bracht ze hem voor het laatst een bezoek. Bij het afscheid pakte ze zijn hand en zei: ‘Wat ben je mager geworden. Ik weet nog goed dat ik je heb leren lopen.’ Vol trots vertelde ze dat de verpleegkundigen hadden gezegd dat ze wel konden zien dat mijn moeder en Jules familie waren. Dat vonden beiden erg leuk om te horen.
Bij mijn moeders verhalen schieten de tranen in mijn ogen. Vorig jaar hebben Jules en ik nog uitgebreid met elkaar getelefoneerd over mijn ouders feest. Hij was ook journalist, dat schept wel een band. Ergens wil ik hem graag een boodschap meegeven, maar dat is waarschijnlijk erg raar. Iets in de trend van dat ik hoop dat zijn geest nog een beetje doorleeft in onze kinderen. Hij weet immers dat ik zwanger ben en vraagt daar ook elke keer naar. Wouter en mijn moeder denken dat het geen goed idee is om een boodschap door te geven. Het blijft treurig dat voor Jules het leven eindigt terwijl wij twee kindjes krijgen. Terwijl Jules redeneert dat hij blij is dat hij al die extra jaren heeft gekregen. (Op 16 juni 2000, enkele uren voor de geboorte van Joep en Yola), is Jules overleden).

8 mei 2014

Naarmate ik meer weet over het verhaal wil ik eigenlijk alleen nog maar meer weten. Want sommige zaken zijn voor mij nog een raadsel, zo wordt er nergens over de vader van Jules gesproken. Is er niet bekend wat er daarna met hem is gebeurd? Dat zal toch ook wel uitgezocht zijn. Als ik er naar vraag bevestigt mijn moeder dat hij in een concentratiekamp is omgekomen, maar verder weet ze er eigenlijk niets van. Wel weet ze dat Micha, de oudste zoon van Jules, jarenlang onderzoek heeft gedaan dus dat hij waarschijnlijk veel meer kan vertellen. Opvallend vind ik ook dat mijn moeder altijd heeft verteld dat de ouders van Jules zijn verraden vanwege de fabriek, maar Jules heeft het daar helemaal niet over.
Mijn moeder vertelde dat ze over de Duitsers heenstapte als ze naar haar slaapkamer ging. Maar ze had toch elders werk. Gelukkig is dat snel opgehelderd. ‘Ik was voor dag en nacht aan het werk bij de boerderij. Alleen zondags ging ik met mijn familie naar de kerk. De hele Birkstraat lag in de vuurlinie dus overal waren soldaten ingekwartierd. Ik had het dus over de boerderij waar ik waar werkte, dat ik daar over de soldaten heen moest stappen. Het was echt gezellig als ze aan het zingen waren.
Jarenlang heb ik tegen niemand verteld dat ik bij joden had gewerkt, daar werd niet over gesproken.’
Het a-politieke gezin wordt ook weer wat genuanceerd als blijkt dat in de vuurlinie niemand naar de radio mocht luisteren en daarom onwetend was. Dat was dus geen bewuste keuze van de familie Van Hofslot. Bij het opschrijven van het verhalen verbazen we ons over de risico’s die de familie nam, waar ze zich wellicht niet van bewust waren? Mijn moeder benadrukt dat er altijd weinig geld was, maar dat ze wel prettig woonden in een huis met vlakbij een bos en heel veel ruimte. De positieve herinneringen aan de gezelligheid overheersen het feit dat er weinig inkomen binnen kwam.

Klik hier voor meer verhaaltjes

2 Responses to Jhonny

  1. Edith van Leeuwen says:

    Wat een indrukwekkend verhaal en zo goed dat ze nu alsnog worden verteld. Voor mij zijn de mensen die deze risico’s “gewoon” namen zonder na te denken de echte helden zij verdienen zoveel respect.

  2. Het blijft een bijzonder verhaal en een speciale band die ik nog steeds voel met jullie familie. Ik lees dit nu op 2e kerstdag. Voor mij niet een speciale dag, maar voor velen wel.

    Ik ben je moeder en haar hele familie nog steeds dankbaar voor de dingen die ze destijds “als vanzelfsprekend” en belangeloos hebben gedaan.

    Jij bent nu ook weer druk bezig met vluchtelingen. Eigenlijk verandert er weinig in de wereld, alleen de afstanden worden groter en de gevaren anders.

    Liefs
    Micha