Recent

Door Sarah Vermoolen

Waar is Roos Angelo? De beste zakenvrouw van Nederland is spoorloos, evenals een grote som geld bij het internationale warenhuis Hotspot, dat onder haar leiding grote winsten behaalde.

Het boek Trip  krijgt een vervolg waarin Roos de hoofdrol speelt.

Proloog Boek Trip naar Utopia
Waar is Roos Angelo? De beste zakenvrouw van Nederland is spoorloos, evenals een grote som geld bij het internationale warenhuis Hotspot, dat onder haar leiding grote winsten behaalde.

Het boek Trip krijgt een vervolg waarin Roos de hoofdrol speelt.

Door: Sarah Vermoolen

Ook in het nieuwe boek zijn de overeenkomsten met de werkelijkheid groot. Feit is dat Nostradamus zo’n vijf eeuwen geleden de wereld al heeft gewaarschuwd. Er zijn zoveel signalen dat de nazaten van Michelangelo, Rafaël en Leonardo da Vinci al vele eeuwen werken aan een opdracht waarin Roos een sleutelrol heeft, dat het waar zou kunnen zijn.

VOORSPELLINGEN
Vijf eeuwen geleden werd de wereld gewaarschuwd door Nostradamus. Rampen en tekorten zouden ons treffen. Overal gingen zieners aan de slag met zijn boodschap om de gebruikers van de aarde een spiegel voor te houden. Mensen wendden hun hoofd af, dit was niet wat ze wilden horen of zien. Dit boek start zo’n vijf eeuwen na de voorspelling, toen het verhaal al lang bezig was maar niet verder kwam. Als je de moed hebt om verder te lezen, dan ontdek je een wereld die gaat veranderen.

Hoofdstuk 1: https://www.facebook.com/notes/boek-trip-naar-utopia/1-de-man-die-haar-de-weg-wees-tevergeefs/287932323548666

Trip naar Utopia
1. De man die haar de weg wees, tevergeefs

De hete wind trekt golven door de goudgele duinen in de woestijn. Het gloeiende woestijnzand dat belicht wordt door de zon en grillige vormen aanneemt, raast voort. Zij heeft geen oog voor het spectaculair mooie landschap. Af en toe gluurt ze door een spleetje in haar sjaal dat haar gezicht, haar en hals bedekt. Ze ziet alleen voorbijrazend zand, een enkel keer struikelt ze over grafheuvels. Wanneer de Afrikaanse pest – zoals de bewoners de woestijnwind omschrijven – actief is, dan schuilt iedereen.

De wind drijft haar voort. Haar ogen houdt ze zoveel mogelijk gesloten, zodat ze zo min mogelijk geraakt wordt door het genadeloze zand. Het landschap onder haar voeten verandert. Voor haar ligt een hoge zandheuvel. Als ze de top kan bereiken, dan heeft ze overzicht en weet ze welke kant ze op moet. Ze schudt even met haar lichaam om het zand van zich af te laten glijden, direct vormt zich een nieuwe laag die zich gretig aan haar vastklampt. Haar voeten zakken bij iedere stap diep weg in het mulle zand, zodat ze tergend langzaam vooruitkomt. Haar laatste restje hoop verdwijnt als ze vanaf de top eindeloze goudgele zandduinen ontwaart. Geen teken van leven in de verre omtrek. Haar keel voelt als leer, haar benen en voeten liggen onder haar alsof ze niet meer bij elkaar horen. Onder zich voelt ze de waterfles waar geen druppel meer uit komt.

De kamer is gehuld in duisternis, het ruikt er muf. De herinneringen die ze zo lang heeft verdrongen, komen hard binnen. De man die haar in de woestijn hardhandig tot leven had weten te wekken, had haar drinken aangeboden en haar lang aangestaard. Van de tocht naar zijn hut kan ze zich nauwelijks iets herinneren. Ook niet hoe lang ze daar is geweest. Op een dag vroeg hij haar om te vertrekken. Als ze de bodem zou raken, dan zou ze daarna weer kunnen klimmen, had hij haar cryptisch duidelijk gemaakt. Op haar vraag welke kant ze op moest, had hij in de verte gewezen. Daar lag de weg naar Utopia. Voorzichtig had hij haar hoofd gepakt zodat ze gedwongen werd achterom te kijken.

Vermoeid sluit ze haar ogen.

Ze is terug op de heuvel van Pergine. Grote hagelstenen bekogelen haar, lichtflitsen zorgen voor extra dramatiek. Zo snel als mogelijk daalt ze de heuvel af, waarbij ze af en toe steun zoekt bij ontwortelde bomen. Woedende stemmen schreeuwen haar toe niet meer terug te komen. In de verte stort een dikke modderstroom met veel kabaal van de heuvel naar beneden en neemt op haar weg rotsblokken en bomen mee, die als luciferhoutjes afbreken. Het gevaar komt steeds dichterbij.

Angstig opent ze snel haar ogen zodat ze zeker weet dat het voorbij is. Iemand had haar net op tijd opzij getrokken zodat het enorme rotsblok haar net niet had geraakt. Onderaan de heuvel had ze hem bedankt. De man had zijn hoofd geschud toen ze vroeg welke kant ze op moest. Hij had geantwoord dat ze op zoek moest naar het dieptepunt om de weg te vinden. Ze heeft de herinneringen steeds verdrongen, maar slaperig realiseert ze zich dat hij veel weg had van de man in de woestijn die haar de weg naar Utopia had gewezen. Die man was ze drie keer tegen gekomen.

Ze dobbert op zee in een houten vissersboot die hevig heen en weer slingert. Op de kade staat een woedend gebarende mensenmenigte die haar iets toeschreeuwt. Met haar handen voor haar oren draait ze hen haar rug toe. Ze moet weg van alles en iedereen die haar schade wil berokkenen. Een man probeert haar aandacht te vangen. Ze verstaat niet wat hij zegt, maar hij wijst op haar en schudt zijn hoofd. Ze draait haar hoofd af. Waarom valt hij haar steeds lastig, heeft hij niets beters te doen dan haar de les te lezen? Als ze zich omdraait om hem te vragen waarom hij haar achtervolgt, is hij verdwenen. De stevige wind veroorzaakt hoge golven. Het land is nog slechts een vaag stipje aan de horizon. De gammele, overbeladen boot ligt diep in het water. In de ogen van de onbekende passagiers leest ze de angst wanneer er weer een hoge golf over de mensen heen slaat. De boot is te zwaarbeladen en begint water te maken. Er moeten mensen uit.

Roos schrikt wakker door het luide gebonk van haar hart, haar lichaam is drijfnat van het zweet. In het donker herkent ze de kamer waar ze zich al lange tijd schuilhoudt.

In haar huidige woonplaats Tamedakhte, aan de rand van de woestijn en de bergen in Marokko, is ze tot stilstand gekomen tot het ook hier weer toesloeg. Roos weet dat ze opnieuw gefaald heeft. Haar tijd hier is voorbij.


2. De vernedering

De herinneringen aan de vorige dag dringen zich nu heftig aan haar op.

Roos had haar baas nog niet eerder zo kwaad gezien. De man met sluik zwart haar en een spits gezicht, die ze de bijnaam Raaf had gegeven, had haar iets toegeschreeuwd. Ze was zoals gebruikelijk in stilte in een hoek aan het werk toen hij gebaarde dat ze onmiddellijk mee moest komen. Omdat de kleine man haar normaal negeerde, had ze verbaasd om zich heen gekeken. Met haar forse lengte had ze zich nog wat meer opgericht om te zien wat er aan de hand was. De man, die zijn uiterste best deed om ondanks zijn kleine postuur indruk op haar te maken, werd daardoor nog kwader. Haar collega’s waren direct dichterbij gekomen om niets te missen van het spektakel waarin de hoge vrouw de hoofdrol speelde. Niemand noemde haar bij de naam. Op het scorebord werd ze aangeduid met hoge vrouw, omdat ze vele koppen groter was dan haar collega’s.

Fonkelend van woede wees haar baas Roos op een grote stapel dozen. Het was haar taak om ze op kleur te sorteren. Het werk was eentonig, en ze maakte lange dagen, dat was haar enige excuus toen ze zag wat hij bedoelde. Tussen de stapels dozen met rood opschrift, trokken drie donkeroranje direct de aandacht. Hoe was het mogelijk dat ze deze door elkaar had geplaatst in plaats van ze strikt te scheiden zoals de opdracht luidde?

Ongemakkelijk probeerde de woedende man haar bij de schouders te pakken en duwde haar naar de hoge stellingkast waar de dozen met een rood en een enkele met een donkerroranje etiket wachten op een nieuwe bestemming. Terwijl hij furieus op de kleuren wees, prikte hij daarna bijna in haar ogen. Was ze kleurenblind? Soms had ze moeite om hem te verstaan, maar zijn boodschap was nu meer dan duidelijk.

Ze mompelde dat het niet weer zou gebeuren. Het had geen zin om te vragen waarom het verwisselen van kleur zo dramatisch was, zij was hier alleen om dozen te vouwen en te sorteren op kleur. Om de vernedering compleet te maken, controleerden twee collega’s – met wie ze zelden een woord wisselde – de rest van de dag al haar handelingen. Iedere doos die ze vouwde en in een stelling plaatste, werd omstandig aan een minutieus onderzoek onderworpen. Roos had ongenaakbaar gekeken, zodat ze niet zagen hoe vernederd ze zich voelde. Die houding ging haar wél goed af.

Bij de herinnering voelt ze haar masker breken. Ze voelt het aan haar gelaatsuitdrukking. Zo triest ziet nooit iemand haar. Zelfs dit simpele werk lukt haar niet. Wat is er van haar over? De tranen stromen over haar wangen, ze veegt ze resoluut weg.

Als oud-collega’s haar zo zouden zien dan wisten ze zeker dat Roos een dubbelganger had. Misschien zouden ze zelf wel even smalend lachen, om daarna te verzekeren dat dit hun Roos nooit zou overkomen. Ooit had ze een topfunctie bekleed bij Hotspot, een internationaal warenhuis met een hoofdkantoor in Leeuwarden. Als manager had zij zelf ook regelmatig orders gegeven waarbij ze het niet van belang vond om de werknemers te veel te vertellen. Zij hoefden het immers alleen maar uit te voeren.

Hoe is het mogelijk dat juist zij een vergissing heeft begaan? Hotspot stond erom bekend dat er geen fouten werden getolereerd. Als de opdracht helder was en dat was altijd het geval, dan kon deze immers foutloos worden uitgevoerd. Excuses bestonden niet, want als iemand de taak niet goed had uitgevoerd dan voldeed iemand niet. Zo simpel was het. Vriendelijk maakte ze als topvrouw duidelijk dat ze beter af waren op een plek waar hun kwaliteiten wel toereikend waren. Haar methode had uitstekend gewerkt, want onder haar leiding voerden de meeste mensen de opdrachten goed uit. Al waren er natuurlijk altijd stoorzenders die het niet goed begrepen of dachten dat ze zelf inbreng hadden. Dat duurde nooit lang, zij konden een ander bedrijf zoeken.

Ze heeft er geen herinnering aan hoe haar werknemers reageerden als ze hen confronteerde met hun falen. Wel aan het trotse gevoel dat ze zoveel mensen kon laten doen wat zij wilde. Die positie had ooit heel goed bij haar gepast. Hoe was het mogelijk dat ze een paar jaar geleden nog een zeer veelbelovende zakenvrouw was en dat ze nu het meest simpele werk niet foutloos kan uitvoeren? Zou ze ooit nog in staat zijn om een project te leiden? Hier heeft ze alleen laten zien dat ze dozen kan vouwen en ordenen. En zelfs dat kan ze niet. Het bekende depressieve gevoel heeft haar weer volledig verslagen.

Eerst had ze Nederland de rug toe moeten keren en daarna Pergine. En hier in Marokko krijgt ze ook geen voet aan de grond. Hoe diep moet ze nog zakken? Ze kan haar ogen niet langer sluiten en doen alsof haar verleden niet bestaat.

Langzaam komt ze overeind. Haar voeten raken de vloer. Het zand gemengd met stof voelt koud aan. Ze is er al lang mee opgehouden om de vloer te vegen, het zand laat zich niet verdrijven. Snel trekt ze haar voeten weer in om de vieze grond niet meer te voelen. Op de tast vindt ze naast haar bed het lampje en klikt het aan. In de spaarzaam verlichte kamer staat naast het bed een stoel. Haar jurk hangt er netjes over heen. Na even zoeken vindt ze in een mand op een plank een vel papier. In het dorp gebruiken ze die om spullen in te pakken. Toen Roos had gevraagd of ze een vel mee mocht nemen, had de bakker zijn schouders opgehaald. Hij keek haar nooit aan en hield altijd afstand alsof ze besmettelijk was. Later lag het vel op het bankje waar ze als enige af en toe op plaatsnam.

3. Terugblik

Naast haar bed ligt een stuk karton waarop ze het zand van haar voeten schudt. Het karton vouwt ze dubbel zodat het als onderlegger kan dienen. Het lampje richt ze op het vel papier. Het is tijd om zaken op een rijtje te zetten. Het verleden kan ze niet meer negeren. De enige manier is om het van zich af te schrijven. Dan is ze het hopelijk ook weer kwijt.

Lieve mama en papa,

Duizend excuses waarom jullie al die tijd niets van mij hebben gehoord. Ik weet dat het lang is, heel lang, veel te lang… Wat zullen jullie teleurgesteld zijn in mij. Jullie hadden zulke hoge verwachtingen van mij. In jullie ogen kan ik alles… Als jullie me nu zouden zien, dan … zal er niets meer van over zijn. Jullie kennende gaan jullie dit direct ontkennen, maar ik weet wel beter. Ik zag in jullie ogen dat ook jullie geen geloof meer hadden in mij. Daarom kon ik het niet opbrengen iets te laten horen. Ook uit angst dat ze via jullie mij op het spoor komen. Ik ga er van uit dat jullie mijn afscheidsbrief hebben ontvangen. Hopelijk begrepen jullie dat ik moest vertrekken, ik had geen keuze. Ze probeerden mij te ontmaskeren alsof ik een misdadiger was. Mijn beproefde methode om alles tot een succes te maken werkte niet meer. Verschillende collega’s deden hun uiterste best om mij het leven zo moeilijk mogelijk te maken. Jullie weten dat ze mij het succes misgunden, dat heb ik vaak tegen jullie verteld. Ze ondernamen van alles om mij in een kwaad daglicht te stellen. Natuurlijk heb ik mijn vermoedens wie erachter zaten, maar er was geen tijd om ze te ontmaskeren. Toen ik vluchtte, had ik nog de hoop dat ik het geluk terug zou vinden in het oord waar ik toen heen ging. Helaas liep het anders en werd ik achtervolgd door steeds nieuwe rampen. Een tijd was het rustig en had ik weer een beetje hoop dat het goed zou komen.

Gisteren gebeurde er iets waardoor het depressieve en angstige gevoel weer in volle hevigheid terug is. Ik mis jullie, daarom schrijf ik jullie. In de hoop dat net als vroeger jullie mij geruststellen en alles weer in orde is. Ik vrees dat jullie hebben gehoord dat er wat geld mist bij Hotspot. Dit was echter de enige manier om mijn verblijf bij Pergine te betalen. Daar had ik verwacht iets te vinden waardoor ik het geleende geld met rente kon terugbetalen. Dit was mijn enige uitweg! Het liep helaas anders. Natuurlijk regel ik dat al het geld terugkomt, ik heb het alleen geleend en zal het met winst terugbetalen. Hoe dat weet ik nog niet.

Vandaag voel ik me verschrikkelijk, maar in Pergine heb ik me een tijd lang geweldig gevoeld. Vanuit Nederland ben ik direct naar het kuuroord Pergine gereisd. Het was een idyllisch dorp, zeker in combinatie met de nabijgelegen terrassen in de heuvelwand met heilzaam bronwater. Het achtste wereldwonder werkte echt! Ik had deze bestemming uitgekozen omdat je hier het tij kan keren en je de kracht krijgt om het ultieme geluk te vinden. Je krijgt daar een euforisch gevoel, en alles komt letterlijk in een ander licht te staan. Bij aankomst krijg je een begeleider die een zevende zintuig heeft om te bepalen waar je behoefte aan hebt. Er zat iets in de lucht waardoor dat gevoel werd versterkt. Het geluksgevoel dat ik daar kreeg was echt. Jammer genoeg duurde het niet lang. Ik heb daar de meest wonderlijke zaken gezien, die niet te beschrijven zijn als je ze niet zelf hebt ervaren. Zo boden ze diverse activiteiten aan, die varieerde van het fluisteren met boomringen tot koffiedik dansen en van overlevingstochten onder barre omstandigheden tot pilletjes waar je buitengewone ervaringen mee kon opdoen. De aanbieders van deze zeer opmerkelijke activiteiten hielpen mij om de depressie de rug toe te keren. Natuurlijk weet ik nu dat de meeste zaken die ze daar aanbieden gebakken lucht zijn, maar toen wilde ik het zo graag geloven. Ze zagen me staan, doorzagen me en wilden me beter maken. Daar was ik super gelukkig!

Het was magisch dat ik in Pergine krachten bleek te hebben waar ze bijzonder blij mee waren. Zo heb ik allerlei testen ondergaan zodat ze kunnen achterhalen wat nodig is om mensen gelukkiger te maken. Als ze het bewijs leverden welke factoren geluk versterken, dan kunnen ze daar gericht invloed op uitoefenen. Het was geweldig om het gevoel te hebben dat ik een groot verschil kon maken en dat ik zoveel in me bleek te hebben. Ik heb in Pergine extreme uitdagingen aangenomen waardoor ik steeds een stapje dichter bij het ultieme geluk kwam. Dit duurde niet lang. Zo deed ik mee met een experiment, waar ik achteraf enorme spijt van heb. Ze verzekerden dat het volledig betrouwbaar was om een trip te ervaren. Twee wetenschappers die de trip ontwikkelden, zochten een proefpersoon voor een ultieme ervaring waardoor het leven een nieuwe dimensie zou krijgen. Het was een eer dat ik ook mocht deelnemen aan dit bijzondere experiment zodat ik emoties nog sterker zou voelen. Freddy, een vriend in Pergine, zei dat het veilig was. Hij was er om me goed te begeleiden. Jullie weten wat ik van pillen denk dus ik was zeer terughoudend. Omdat het een noodzakelijk onderdeel is van het proces ben ik uiteindelijk overstag gegaan. Wat ik met die trip heb ervaren, dat zou ik mijn ergste vijand niet toewensen. Zo reisde ik af in mijn onderbewustzijn waar ik geconfronteerd werd met mijn angsten. Zo kwam ik in een gangenstelsel waarbij elke gang iets dramatisch liet zien. Mijn emoties werden extreem uitvergroot en dat was in mijn geval een hel.

Een dag na de trip was de wereld veranderd. Jullie weten natuurlijk dat het gebied is getroffen door extreem noodweer. Er zijn zoveel vernielingen aangericht. De terrassen verdwenen van de aardbodem terwijl opmerkelijk genoeg het dorp Pergine grotendeels gespaard is gebleven. Rond het dorp stond weinig meer overeind op de heuvel en er kwamen voortdurend zware keien naar beneden. Er zijn zoveel mensen omgekomen en verdwenen. Het was verschrikkelijk, daarna veranderde alles.

In Pergine beweerden ze na de ramp dat ik vooral mijn eigenbelang najaagde, terwijl ik juist alle medewerking had verleend bij de testen! Voor de ramp stonden alle deuren open, daarna was ik nergens meer welkom. Opnieuw maakte ik mee dat mensen samenspanden om mij in diskrediet te brengen en ik kon er niets tegen doen. Het was duidelijk dat het dorp niet meer goed was voor mij en dat is een understatement.

Ik heb daarna rondgezworven tot ik hier terecht kwam. ‘Mijn’ dorp ligt aan de rand van het hoge Atlasgebergte. Als het hier mis gaat, dan kan ik kiezen uit een vlucht door de woestijn of door de bergen.

Hier ben ik letterlijk tot stilstand gekomen, er komt nauwelijks meer iets uit mijn handen.

Jullie kennen mij als succesvol manager, hier kan ik het meest simpele werk nog niet eens goed uitvoeren. Tegenwoordig vul ik mijn dagen met dozen vouwen. Ja, jullie lezen het goed. Al vele maanden is mijn belangrijkste taak om de vouwen te volgen van tevoren gevouwen karton, die ik dan vervolgens op kleur moet sorteren. Maar zelfs dat kan ik niet, want gisteren heeft mijn baas me vernedert waar iedereen bij was! Jullie weten dat zo’n aanval bij mij grote gevolgen heeft. Zelfs het meest simpele werk kan ik niet meer aan. Ik ben weer in een diepe put gevallen. Terwijl ik dit allemaal schrijf, ben ik me bewust dat er een patroon is. Ik heb alleen geen energie meer. De strop rond mijn nek wordt steeds strakker aangetrokken.

Hoe depressief ik me nu ook voel, ik vertrouw erop dat er een oplossing is voor alle problemen. Alleen moet ik deze nog zien te vinden.

Jullie liefhebbende dochter Roos

Ze voelt zich leeg nu alles op papier staat. Haar lichaam doet pijn van de ongemakkelijke houding waarin ze heeft beschreven wat haar is overkomen. Roos gaat weer in bed liggen en probeert zich uit te strekken, maar ze weet dat dit niet kan. Het bed is zeker 20 cm te kort. De tranen stromen over haar wangen. Hoe kan ze haar ouders ooit weer onder ogen komen? Natuurlijk gingen er verhalen over haar de ronde. Meestal verstopt ze de gedachtes aan thuis in een ver laatje in haar geheugen. Daar zitten veel laatjes die ze liever niet opent.

Vertwijfeld kijkt ze naar de lange brief. Is het niet beter om haar ouders in de waan te laten dat ze wellicht ergens supergelukkig is? Haar moeder was altijd zo trots op haar. Van kleins af aan had ze beweerd dat ze alles kon, als ze maar wilde. Ze had van haar moeder een sterke wil, enorm veel doorzettingsvermogen en een grote dosis creativiteit en inventiviteit geërfd. Wat haar moeder niet was gelukt, dat zou haar dochter wel bereiken. Samen kwamen ze ver. Roos genoot als haar moeder vol trots en warmte naar haar keek. Als Roos die vertrouwde blik zag, dan deed ze nog beter haar best. Die blik heeft ze nu zo hard nodig. Wat zou haar moeder nu zien? De armzalige hut, haar ouderwetse kleding die ze gekregen heeft, of haar blik waaruit geen vertrouwen meer blijkt? Zou ze het begrijpen of zou ze haar vertellen dat ze zich niet moet aanstellen en ..? Opeens ziet ze weer de gekwelde blik in haar moeders ogen toen ze had verteld over het complot dat collega’s tegen haar hadden gesmeed. Die dag had haar moeder haar hoofd geschud en gezegd dat ze misschien niet helemaal de waarheid zei. En dat ze dergelijke verhalen beter niet kon vertellen, zeker niet tegen anderen. Boos was Roos vertrokken, zelfs haar moeder geloofde haar niet. Ook herinnert ze zich dat haar vader haar op haar schouder klopte en iets te hard zei dat hij zeker wist dat het goed zou komen. Alsof ze een klein kind was!

De herinneringen doen haar geen goed. Ze is doodmoe. Ze weigert nog langer aan het verleden te denken. Dat is nergens goed voor! Even schudt ze zichzelf door elkaar. Iets van de oude Roos in haar spreekt haar streng toe.

Na alles wat ze heeft meegemaakt, komt ze hier ook weer uit. Anders is alles voor niets geweest. Ooit moet het beter worden, dat gelooft ze nog steeds, al is het steeds moeilijker om hier echt in te geloven. In gedachte bereidt ze zich voor op wat er morgen gaat gebeuren op haar werk. Ze bedenkt verschillende scenario’s. Zo is ze voorbereid en kan ze zich verdedigen op wat komen gaat. Ze mogen niet aan haar zien wat het met haar doet. Waarschijnlijk blijft ze hier toch niet lang meer. 

4. Welkom in Tamedakhte

Door een klein raam stroomt licht naar binnen. Even denkt ze dat ze wakker is geworden van de gebedsoproep. De geluidsbox die de oproep van de gebedsoproeper versterkt, is echter al dagen kapot. Roos voelt de zonnestralen over haar gezicht dansen, alsof ze haar zacht wakker willen strelen. Verbaasd constateert ze dat ze toch weer in slaap is gevallen. Ze heeft gelukkig geen nachtmerries meer gehad, maar ze voelt zich niet beter. Het liefste blijft ze in bed liggen, maar ze weet dat het geen zin heeft om uit te stellen wat komen gaat.

Het eenpersoonsbed in de kale kleine ruimte veert een beetje op als ze opstaat. Het bed heeft halverwege een diepe kuil, ooit heeft het een zware bewoner van nachtrust voorzien. Roos gebruikt het versleten bed, stoel en nachtkastje zonder zich af te vragen wie hier eerder hebben gewoond. De vorige bewoners hebben geen tastbare herinneringen achterlaten. Het laken en de deken – die hard was van het vele wassen – lagen keurig opgevouwen op het bed bij aankomst. Een kussen is er niet. De wanden zijn kaal. De vorige bewoners hebben deze niet verfraaid, zoals dat wel gebruikelijk is in het dorp. Zelf heeft ze ook niet de moeite genomen om iets toe te voegen of te veranderen. De kamer ziet er nog identiek uit zoals zij deze aantrof. Ze wil het ook niet eigen maken, ze is hier immers maar tijdelijk. Vluchtig kijkt ze rond alsof de kamer nu al tot de geschiedenis behoort. Over niet al te lange tijd behoort ook deze periode tot het verleden en zal ze niet meer terugkijken. Het doet haar niets. Deze plek heeft niets voor haar gedaan.

In de verweerde spiegel herkent ze zichzelf nauwelijks. Ze ziet een strak hoofd met lege ogen, haar mondhoeken wijzen naar beneden. Ze ziet er kil en naargeestig uit. Haar ogen zijn het ergste of is het haar mond? Snel keert ze haar aanblik de rug toe. Haar moeder zei altijd dat ze een open boek was, dit was dan een naargeestige bladzijde. Ook al past de uitdrukking bij hoe ze zich voelt, toch schrikt ze van deze confrontatie. De magie die haar sinds haar jeugd heeft omringd is al lange tijd volledig verdwenen.

Ze is veel langer dan de meeste mensen in het dorp en slanker dan de vrouwen van haar leeftijd. Toch werkt het niet in haar voordeel. Vrouwen van rond de 35 pronken hier met hun volwassen kinderen, die soms zelfs al vader of moeder zijn. In de ogen van Roos zien haar leeftijdgenoten er oud, uitgezet en afgetobt uit, alsof het leven al heel lang voorbij is. Zij daarentegen kunnen zich geen leven zonder man en kinderen voorstellen, de bewoners nemen daarom vanzelfsprekend aan dat de lange, dunne dame waarschijnlijk weduwe is en daarom zo dun. Niet dat iemand het haar ooit heeft gevraagd.

Haar jurk hangt niet zoals gebruikelijk op de stoel. Deze is eraf gegleden toen ze vannacht de brief schreef. De donkere jurk is bedekt met een dikke laag stof en zand. Tevergeefs probeert ze het uit te kloppen. 

Vroeger stond ze net zo lang voor de spiegel tot ze er zeker van was dat de kledingkeuze en make-up perfect paste bij de spannende taken die ze die dag moest volbrengen. Ze had drie inloopkasten waar de verschillende outfits op kleur en op type gelegenheid waren gesorteerd. De grootste kast was gevuld met kleding voor haar werk, waarbij de modieuze kledingstukken gerangschikt waren op het aanzien van de persoon die ze die dag tegenkwam. Zo waren de mooiste kleren voor een bezoek aan een premier of koning, maar zover was het nog nooit gekomen. Meestal droeg ze charmante zakelijke kleren om indruk te maken op de werknemers aan wie ze leiding gaf. Zo maakte ze direct duidelijk wie de baas was. De tweede kast was haar lievelingsruimte, daar hingen de opvallende kleren waarmee ze naar het theater, concerten en tentoonstellingen ging. De tijd dat ze daar schitterde en genoot was heel erg lang geleden. In de derde kast bewaarde ze haar kleding waarmee ze thuis op de bank zat. Dat kwam zelden voor, want meestal trok ze er op uit. Thuis was ze alleen, buiten was er altijd wel iemand die haar liet voelen hoe bijzonder ze was.

Het contrast met het haar huidige leven kan niet groter zijn. Hier heeft ze slechts twee jurken en iets wat er op lijkt.

Haar andere jurk ligt al dagen in een hoek op de vloer te wachten tot ze de energie heeft om te wassen. Er zit niets anders op dan de vaatdoek aan te trekken. Verschillende theedoeken die qua kleur en patroon iets weg hebben van een schaap – zijn aan elkaar genaaid zodat er een lange mantel ontstaat. De mouwen van de verschoten jurk zijn iets te kort bij haar polsen en haar enkels zijn te zien. Toen de dorpsbewoners haar misprijzend te kennen gaven dat dit niet alles verhullend was, had ze haar schouders opgehaald. Waarom maakten ze zich zo druk om die soepjurk terwijl ze haar nauwelijks zagen staan? Ze schuift haar sandalen aan die in de steeg klaarstaan. Buiten doet het licht pijn aan haar ogen. Haar warrige halflange stroblonde haar verstopt ze snel onder een hoofddoek. Ze werpt een snelle blik op de steeg in het dorp waar ze tot stilstand is gekomen. Hoe lang zou ze hier nog welkom zijn?

Na haar vlucht uit Pergine was ze naar Marokko gevaren. In het dorp had de vluchtelingenorganisatie haar bij aankomst een kamer toegewezen. En een bezigheid bij het bedrijf, waar ze lange dagen maakte. Zo kon ze het dorp bedanken voor hun opvang. Het leverde nauwelijks geld op, zeker niet om haar schuld – die ze liever een lening noemde – bij Hotspot af te betalen.

Ze volgt de licht hellende steeg naar beneden langs de lemen huisjes. De bouwstenen zijn gemaakt van aangestampte aarde volgens een eeuwenoud procedé. Bij aankomst had ze gezocht naar de kachel en ventilator, maar dergelijke voorzieningen waren veel te modern voor dit dorp.

Verschillende huisjes worden bewoond door in zwart gehulde vrouwen die zelden buitenkomen. Een enkele keer vangt ze een glimp van hen op. Ze is er inmiddels aan gewend dat in het dorp veel bewoners ogenschijnlijk alles met elkaar delen, maar dat parallel daaraan mensen ook onzichtbaar kunnen zijn. Net zoals zij.

Ooit woonden hier zeker honderd gezinnen. Vooral jonge mensen waren weggetrokken naar de stad. Zij lieten verwaarloosde huizen achter waar de voegen niet meer worden bijgehouden met leem. Een enkel pand was al zo lang verlaten dat de gaten er in waren gevallen. Langs de steeg naar beneden neemt de omvang van de huizen iets toe. Aan het plein worden ze bekroond met lemen tegels in een geometrisch patroon. Hier woont onder meer de bestuurder van het dorp.

Terwijl ze zijn huis passeert, denkt ze terug aan haar eerste confrontatie met hem. Omdat ze wist dat de eerste indruk goud waard was, had ze direct na aankomst een ronde gemaakt door het dorp en diverse zaken ontdekt die sterk verouderd waren. Sommige zaken konden met enige aanpassing worden hergebruikt, maar bepaalde stegen waren echt te smal, constateerde ze direct. Door aan een zijde de huizen te verwijderen, had je twee zaken opgelost. De armoedige huizen schrikten immers mensen af en je had veel meer ruimte zodat bezoekers op gepaste afstand van elkaar het dorp konden verkennen. Natuurlijk moest je wel een bouwval laten staan waarin bezoekers op verschillende punten gefotografeerd konden worden door een fotograaf, die vanzelfsprekend traditionele dorpskleding droeg en een ouderwetse camera bediende. Daar kon je een digitale camera in verbergen. Met een grondige aanpak kon het dorp in drie tot vijf jaar veranderen in een goed lopende attractie. Indien iedere groep toeristen via afgebakende tijdsvakken een van de drie paden volgde, dan zouden ze elkaar niet treffen en konden de routes optimaal ingezet kunnen worden. Met de juiste aanpak zou het geld binnenstromen dat weer geïnvesteerd kon worden om het dorp naar deze eeuw te tillen, want de tijd stond hier al eeuwen stil. Hier zou ze laten zien wat ze waard was.

Met enige trots omdat ze al zo snel een goed plan had bedacht, had ze gevraagd om een onderhoud met de hoogste bestuurder van het dorp. Ze had al haar kracht ingezet om de oude man zo hartelijk mogelijk de hand te drukken, nadat hij aarzelend de deur had geopend. Hij had haar vreemd aangekeken en snel zijn hand teruggetrokken toen ze hem stevig beetgreep. Het ontging haar dat haar schoenen vuile sporen achterlieten op de brandschone vloer. Ze stelde hem enthousiast voor dat ze in ruil voor het verblijf taken van hem kon overnemen. Hij had haar aangekeken alsof ze van een andere planeet kwam toen ze in haar beste schoolfrans vertelde wat haar expertise was en welke competenties ze direct kon inzetten om het dorp naar de moderne wereld te trekken. Ze was nog midden in haar verhaal toen hij haar bijna letterlijk naar buiten duwde. Wat ze had misdaan wist ze nog steeds niet, daarna had ze hem nooit meer gesproken. Wanneer de man haar zag aankomen, vouwde hij zijn handen direct op zijn rug en liep snel door.

5. De praatjesmaker

Ze staat even stil om op veilige afstand te kijken naar het huis waar de hoogste bestuurder haar zo vernederend te woord heeft gestaan. Haar sombere gevoel slaat om in irritatie. Waarom reageren de bewoners zo negatief of beter gezegd niet op haar plannen? Hoe langer ze hier woont, des te meer is ze ervan overtuigd dat het dorp eeuwen geleden is stilgezet en niet meer in beweging te krijgen is. Er moeten toch mensen opstaan die verandering willen? En die het dorp vooruit wilen brengen? Als ze een bijeenkomst mag organiseren – waar mensen vroeger grote bedragen voor neertelden om haar te zien en horen spreken –, dan weet ze zeker dat ze haar met andere ogen, en met meer respect, zouden bekijken. Niemand kijkt haar echter aan. Voor de bewoners is ze onzichtbaar. Haar gezicht staat weer strak. Haar ogen, waarmee ze kon praten volgens haar moeder, zijn leeg, alsof alle leven eruit gevloeid is.

Ze ploft neer op haar bankje onder de eeuwenoude boom aan de rand van het dorpsplein. De praatjesmaker, zoals ze de vrolijke jongen heeft gedoopt, begint net aan zijn dagelijkse ronde. De jongen met het rossige haar en een brede glimlach wordt door de bewoners enthousiast verwelkomd. Iedere dag volgt Roos zijn ronde in de hoop dat ze op een dag ontdekt waarom hij wél een positieve uitwerking op mensen heeft. Hij maakt een buiging voor de oudste bewoner van het dorp en legt uit eerbied kort zijn rechterhand op zijn hart. Ze kan het gesprek niet volgen, maar ze weet dat de oude man de laatste nieuwtjes aan de praatjesmaker vertelt. Met een geconcentreerd gezicht neemt de jongen het in zich op en maakt een buiging ten afscheid. Daarna loopt hij naar de jonge buurvrouw met de vijf kinderen, die al buiten wacht om het nieuws te vernemen. Iedere dag ziet Roos hoe de berichten bij iedere volgende deur korter, langer, vrolijker of juist ernstiger worden. Vandaag bekijkt ze het schouwspel met een ongerust gevoel, ze weet bijna zeker dat zij dit keer het onderwerp is. Ze kijken niet naar haar, maar dat zegt niets.

In Tamedakhte vinden de bewoners het hun plicht om mensen in nood op te vangen. De dorpelingen wisten dat ze had geweigerd om een adres in Nederland op te geven en dat ze was gevlucht uit een oord waar ze haar pillen gaven waardoor allerlei herinneringen waren gewist. Dat was het enige wat ze over haar, de hoge dame, hadden gehoord.

Abir, haar enige vriendin in het dorp, had haar toevertrouwd dat het traditie was om gastvrij te zijn, maar dat er in het geval van Roos enige aarzeling is geweest. Toen ze hoorden dat de hoge dame nergens anders terecht kon en al tijden door Marokko zwierf, besloot de dorpsraad van Tamedakhte dat ze welkom was. Dezelfde bewoners die haar een kamer en werk hebben gegeven, keken daarna niet meer naar haar om.

Ze ruikt de geur van vers brood en komt langzaam overeind. Haar maag knort, ze moet iets eten. De meeste bewoners maken hun eigen deeg en brengen het naar de oven van de bakker waar het afgebakken wordt. Wanneer de bakker haar ziet aankomen, legt hij snel haar broodje op de toonbank zonder haar aan te kijken en draait zich dan snel om.

Roos slentert door de nauwe straatjes richting de toegangspoort. Aan de rand van het dorp stallen de ondernemers hun waren uit. De producten in de geïmproviseerde winkeltjes worden beschut tegen de zon door golfplaten daken. Alleen de groenteman doet goede zaken in een stenen winkel. In de houten kratten rangschikt hij de paprika’s, rode uien en peulvruchten tot een stilleven. Hij stapt net achteruit om trots naar zijn werk te kijken. Wanneer hij nog een stap achteruit wil doen, raakt hij met zijn arm de jurk van Roos. Snel wijkt ze uit voordat hij echt haar arm aanraakt. Hij maakt een gebaar alsof hij een lastige vlieg heeft geraakt. Een terloopse aanraking zou voor de praatjesmaker een gerucht kunnen opleveren.

Roos loopt snel voorbij de bananen, druiven, kersen, meloenen en ananas die de voorbijganger glanzend toelachen. Achter haar klinkt het geluid van een bak die valt. Niet weer, dat kan er ook nog wel bij. De sinaasappels rollen over de grond. Het is niet de eerste keer dat ze in het voorbijgaan blijft hangen aan een krat die ze per ongeluk meetrekt. Roos heeft geen zin om achterom te kijken en doet net alsof ze de scheldpartij van de koopman niet hoort.

Verderop is Abir haar sjieke kledingwinkel aan het klaarmaken voor een nieuwe dag. De jonge vrouw inspecteert een zilvergrijze doek die ze tegen het licht houdt, en legt deze vervolgens zorgvuldig op een stapel tussen het aardewerk en de versierde spiegels. De felle kleuren en de schittering van de artikelen doen pijn aan Roos haar ogen, maar inmiddels weet ze dat juist naar deze handel nog een beetje vraag is. De bijzondere kledingstukken worden zelden bekeken.

Roos weet nog goed hoe verbaasd ze was toen ze in dit traditionele dorp de winkel had gezien. Met een grote glimlach was ze binnengestapt en had de vrouw gevraagd of dit een fata morgana was. Ze had haar vreemd aangekeken, maar was zichtbaar verrast door het enthousiasme waarmee de nieuwe inwoonster haar winkel bekeek. Met enige verbeelding zouden de ontwerpen van Abir niet misstaan in een sjieke winkelstraat in een modestad, hier had niemand er aandacht voor. Roos zag direct dat de stoffen en ontwerpen van een hoge kwaliteit waren. Het was niet direct haar stijl, want zij droeg in haar vroegere leven uitsluitend kleding die werd aangeraden door haar styliste. De laatste hield goed bij welke ontwerpen door bekende mensen werden uitgekozen.

In het begin konden ze elkaar nog nauwelijks verstaan. Abir had haar direct een kledingstuk voor gehouden dat ze moest passen. Resoluut had Roos het teruggelegd en in het Frans uitgelegd dat dit niets voor haar was. Ze kon moeilijk vertellen dat ze nog een enorme schuld heeft die eerst afbetaald moet worden. Steeds opnieuw had Abir voorstellen gedaan, maar hoe mooi ze de ontwerpen ook vond, ze had ze afwerend teruggelegd. Het had geen zin om interesse te tonen, want dit kon ze nooit betalen.

Roos denkt aan de enorme keuze in haar inloopkasten en ze schaamt zich hoe ze er nu bij loopt. Tegelijkertijd past haar huidige verschijning wel goed bij hoe ze zich voelt. Wanneer ze een jurk van Abir zou dragen, dan zou ze zich daar ook naar moeten gedragen.

De afgelopen maanden hadden ze elkaar steeds beter leren kennen en verstonden ze elkaar beter in het Frans. Abir benoemde regelmatig hoe blij ze was met Roos als haar hartsvriendin, want verder had zij nauwelijks contacten in het dorp. Ook Roos was gehecht geraakt aan de opvallende verschijning. Vandaag is Abir gekleed in een soepel vallende lichte jurk met glinsterende applicaties in blauw en groen. Onder haar turkooizen hoofddoek gaan lange bruine krullen schuil. Alleen wanneer de winkel dicht is en Abir ervan verzekerd is dat niemand hen stoort, dan gaat de hoofddoek af. Roos noemt haar vaak een levend kunstwerk vanwege haar zelfontworpen kleding, excentrieke make-up, rinkelende sieraden en versieringen met henna.

6. De winkel van Abir

Vandaag is Roos niet in de stemming om een praatje te maken, maar ze kan haar vriendin niet ongezien passeren. Abir loopt haar  enthousiast tegemoet en omhelst haar. Roos beantwoordt de hartelijke begroeting ongemakkelijk en houdt zich stijf.

‘Ik hoorde je al aankomen, het fruit kwam me tegemoet,’ lacht Abir. ‘Die man gaat je ooit nog wat aandoen.’

‘Nee hoor’, reageert Roos fel. ‘Hij ziet me nooit staan. Hij kan beter zijn handel goed neerzetten.’

‘Nou Roos, dat is niet aardig. Je weet hoe trots hij is op zijn producten.’

‘Hij doet alsof hij goud verkoopt. Maar ik kan er toch niets aan doen als hij zijn kratten midden in het pad neerzet. Je kunt hier nauwelijks lopen.’

‘Het gangpad is zeker 1,5 meter breed!’

‘Het is veel te smal! Hij begon, daardoor moest ik wel uitwijken. Het is zijn eigen schuld als hij het zo volbouwt dat je er niet meer door heen kan.’

‘Je kent toch de reglementen? Kijk wat vaker achterom om te zien wat er achter je gebeurt.’

‘Begin jij nu ook al! Abir, ik ben niet in een echt goed humeur. Ik heb slecht geslapen. Ik heb er geen zin in als iedereen mij steeds bekritiseert dat ik achterom moet kijken, ik wil vooruit.’

‘Wie bekritiseert jou dan?’

‘Niemand’, gromt Roos.

‘Wat heb je gedaan?’

‘Niets zegt ik toch.’

‘Roos, je ziet er echt ongelukkig uit. Je staat zo strak als een spijker. Als iemand jou iets heeft aangedaan dan kun je het toch aan mij vertellen. Wie weet kan ik je helpen.’

‘Niemand kan mij helpen. Ik weet zelf al niet eens wat er aan de hand is…

Abir kijkt haar vriendin onderzoekend aan. Ze heeft haar vaker somber gezien, maar deze depressieve blik kent ze nog niet.

‘Wat zie je er uit!’ Hoofdschuddend kijkt Abir naar de jurk van Roos. ‘En wat kijk je dreigend. Je lijkt wel een wolf in schaapskleren!’ Abir schudt nogmaals haar hoofd om de lange vale doek die als een zak naar beneden valt. Normaal moet Roos lachen om de rare vergelijkingen, waarbij Abir haar best doet zo goed mogelijk Frans te praten, maar vandaag irriteert het haar dat ze zelf niet eens snapt wat ze zegt.

Iedere dag heeft Abir commentaar op haar kleding en daagt haar dan uit om een kledingstuk van haar aan te trekken. Meestal lacht Roos het weg, vandaag ervaart ze het als pure bemoeizucht. ‘Wat maakt het uit wat ik draag? Er zijn belangrijker zaken dan kleding.’

Gekwetst reageert Abir: ‘’Hoezo, waarom zeg je dat zo?’

‘Ik weet dat kleding voor jou van wereldbelang is, maar voor voor mij zijn andere zaken belangrijker.’

‘Kleding kan een verschil maken. Dat weet jij ook!’

‘Dat zal best, maar laten we het daar niet weer over hebben.’

Abir knikt en denkt aan alle pogingen die ze heeft ondernomen om haar vriendin een outfit te geven die bij haar past. Ze vermoedt dat haar vriendin haar kleding eigenlijk te buitenzinnig vindt en niet goed genoeg. Waarom zou ze anders blijven weigeren? Ze zou er zo van opknappen als ze iets moois aan zou doen. Net voordat ze voor de zoveelste keer dezelfde discussie wil starten, ziet ze dat Roos met beide handen pijnlijk naar haar hoofd grijpt en haar ogen afdekt. Zou ze weer een aanval hebben of is ze boos op haar?

Met een bezorgde blik op het gezicht van haar vriendin schuift ze een kledingrek met kleurrijke gewaden opzij en klopt op de bank. ‘Ga zitten. Wat is er gebeurd?’

Roos antwoordt met een strak gezicht. ‘Niets!’

‘Maar je kijkt alsof ik iets ongenaams met jou heb uitgevoerd.’

‘Het heeft niets met jou te maken.’

‘Echt waar? Kijk maar even in de spiegel. Je ziet er vreselijk uit.’

‘Hoe kijk ik dan?’

Abir denkt even na: ‘Normaal ben je iemand. Zeker als je blij bent dan zie je eruit als krachtig staal. En nu is het alsof ..’ ze kijkt haar vriendin onderzoekend aan ‘alsof je minder levend bent. Normaal vind ik je sterk, maar nu kom je heel zwak over. Alsof ik je zo kan wegblazen en dat er dan donker stof achterblijft.’

Roos zegt niets en kijkt haar met een levenloze blik aan.

‘Dit bedoel ik, ik word een beetje bang als je zo kijkt. Waarom vertel je me niets? Vertrouw je me niet? Of denk je dat ik het niet snap?’

Roos staart haar aan en schudt zacht haar hoofd.

‘Dat is het niet.’

‘Wat is het dan? Toen je hier net was, liep je ook zo voorbij alsof niets je kan raken. Maar toen wist ik al dat je niet zo beladen bent als dat je er uit ziet.’

‘Oh dus je vond me beladen?’ reageert Roos venijnig. Vandaag kan ze er niet om lachen dat Abir soms moeite heeft om de juiste woorden te vinden in het Frans. Zeker in het begin was het een zoektocht om elkaar goed te begrijpen. Roos drukt zich stellig en rechtlijnig uit terwijl Abir juist overal omheen draait. Abir had haar verteld dat ze soms schrok van haar manier van praten en dat het leek alsof ze haar wilde kwetsen. Inmiddels is ze er al zo aan gewend dat ze het zelfs soms overneemt.

‘Nou ja, je keek alsof je me niet zag staan. Alsof je je veel te goed voelt voor mij. Ik kan er toch niets aan doen dat ik niet zo slim ben als jij en dat ik het niet zo goed kan uitleggen.’

‘Je kent me toch. Je weet dat ik dat niet zo bedoel!’

‘Ja, meestal wel. Maar nu kijk je weer precies zo. Alsof je op me neer kijkt. En dat is niet fijn!’

‘Sorry Abir, maar ik heb momenteel wel wat anders aan mijn hoofd dan me druk maken over hoe ik overkom.’

Gekwetst wendt Abir zich van haar af en frummelt aan een jurk in het rek. Voordat ze zich afwendt, ziet Roos nog net dat de tranen in haar ogen staan. ‘Het is niet de bedoeling om jou ook pijn te doen. Ik maak het al moeilijk genoeg voor mezelf.’

Abir knikt zacht. ‘Dat weet ik toch, maar waarom vertrouw je me niet en vertel je wat jou zoveel pijn doet.’

‘Sorry, ik doe alles verkeerd vandaag. Ik ben niet in de stemming vandaag. Ik had afschuwelijke nachtmerries.’

‘Waarover?’ vraagt Abir zacht.

‘Ik was weer op de vlucht.’

‘Je gezicht toont dat dit vreselijk was.’

‘Ja, dat is zo. Maar ik wil het er niet over hebben, want dan blijft het in mijn hoofd zitten.’ Even opent Abir haar mond maar na een blik op het aangeslagen gezicht van haar vriendin besluit ze dat dit niet het moment is om door te vragen. Nieuwsgierig is ze wel, want tot dusver is het verleden van Roos een gesloten boek.

‘Gelukkig ben je nu veilig. Ga lekker zitten, dan maak ik thee. Dit doet wonderen.’

Roos schudt haar hoofd. ‘Liever niet, ik moet weer door. Als ik zo’n stemming heb, dan steek ik jou ook aan.’

‘Ik laat je niet gaan als je zo’n donker gezicht hebt.’

Roos blijft koppig staan. ‘Ik voel me slecht. En als ik hier blijf, dan slaat dat ook op jou over.’

‘Was het zo erg?’ dringt Abir opnieuw vriendelijk aan. ‘We zijn toch vriendinnen. Je moet het toch kwijt raken, praten kan helpen. Echt!’

Roos ziet aan Abir haar gezicht dat ze haar niet laat gaan. Abir heeft gelijk, de stemmen uit haar verleden kan ze niet tot zwijgen brengen. Het kan waarschijnlijk geen kwaad als ze iets vertelt.

‘Het was verschrikkelijk,’ zegt Roos met een gebroken stem. ‘Meestal lukt het prima om er niet aan te denken, maar vannacht zat ik er weer middenin. Overal lag het gevaar op de loer en was ik niet veilig.’

‘Was het een nachtmerrie of een herinnering?’ vraagt haar vriendin zacht.

‘Voor mij is dat bijna hetzelfde. In mijn dromen herbeleef ik vaak wat ik heb meegemaakt. Heb jij dat niet?’

‘Ik droom eigenlijk nooit,’ antwoordt Abir nadenkend.

‘Ik wel! Extreme of bijzondere gebeurtenissen kwamen vroeger altijd terug in mijn dromen. Het is voor het eerst sinds lange tijd dat dit me weer overkomt. Gisternacht was het heftig.’

Abir kijkt haar bezorgd aan. ‘Ik voel dat je nare dingen hebt mee gemaakt en dat ze je wilden beschadigen. Je moet de mensen aanklagen die jou dit hebben aangedaan.’

‘Nee, geen denken aan. Dan moet ik alles weer oprakelen! Niemand kan het begrijpen als je niet zelf zoiets hebt mee gemaakt!’

‘Probeer het eens.’

‘Nee dat kan niet. Dan breng ik je in gevaar.’

‘We willen graag je verhaal horen. Wie weet kunnen we je ergens bij helpen.’

‘Nee, dit moet ik zelf uitzoeken. En wie bedoel je met wij?’

‘Ahmad Idris natuurlijk. Je weet dat hij als leider van ons dorp overal van op de hoogte moet zijn. Ik weet dat jij er anders over denkt, maar dankzij hem mag je hier wonen. Als je in gevaar bent, dan moet hij dit  weten.’

‘Wie zegt dat ik in gevaar ben?’

‘Niemand, maar er is wel degelijk iets aan de hand. Ik denk dat het goed is als je met Idris gaat praten, want hij heeft ons beloofd dat hij geen risico heeft genomen door jou hier te laten wonen. Je moet hem vertrouwen, want hij heeft het beste met ons voor.’

Roos snauwt hard: ‘Ik weet zeker dat hij het graag willen horen, want dan hebben ze nog meer redenen om mij zo kritisch te bekijken. Weet je nog hoe enthousiast hij was toen ik mijn plannen presenteerde? Sindsdien loopt hij direct weg als hij mij ziet, hij doet alsof ik de pest heb. Hij wil mij helemaal geen veilig onderdak bieden, volgens mij is hij blij als ik zo snel mogelijk vertrek. Ik weet wel wat ze denken! Waarom ben ik juist in dit dorp terecht gekomen? Dit dorp is zo slecht voor mij! Het lijkt alsof het meest stompzinnige gehucht waar mensen nog nooit van het woord ambitie hebben gehoord is uitgezocht om mij een lesje te leren. Nou, de les heeft inmiddels lang genoeg geduurd.’

Abir gebaart angstig dat ze zachter moet praten terwijl ze schichtig om zich heen kijkt of iemand de plotselinge uitval van haar vriendin heeft gehoord. ‘Dit kun je beter niet hardop zeggen.’

‘Alsof ook maar iemand in het dorp mij kan verstaan. Je weet net zo goed als ik dat ze hier achterlijk zijn. Ze kunnen nauwelijks of geen Frans en ….’

De jonge vrouw neemt het gezicht van de hoge dame goed in zich op. Ze denkt aan het verhaal dat de ronde gaat, maar waar ze het nooit over hebben. Het is niet de eerste keer dat ze een gedaantewisseling meemaakt. Ze legt vriendelijk haar hand op Roos haar mond en fluistert: ‘Ik weet dat je een nachtmerrie hebt gehad, maar dat is geen reden om zo te praten.’

‘Waarom niet? Wil je de waarheid niet horen? Iedereen staat hier stil!’

‘Stop hiermee!’, roept Abir geschrokken uit.

‘Waarom? Kijk naar jezelf. In elk ander dorp zouden ze een ondernemer zoals jij bewonderen. Hier heb ik nog nooit een bewoner in je zaak gezien.’

‘Ze moeten er aan wennen. Je kunt het ze niet kwalijk nemen.’

‘Dat is bespottelijk. Ze hebben geen smaak en geen idee wat er in de wereld te koop is,’ reageert Roos vinnig omdat haar vriendin niet voor zichzelf opkomt.

Abir kijkt haar met een veelzeggende blik aan: ‘Voor mij is het geen punt. Ik ben wél blij met dit dorp. En jij neemt toch ook geen kleren van mij aan?’

‘Je weet best dat ik dat niet kan betalen! En je zegt wel dat je blij bent met dit dorp, maar ken je wel het echte verhaal? Misschien klopt het helemaal niet wat ze je hebben verteld!’

7. Abir’s verhaal

Abir wist dat haar moeder haar op jonge leeftijd had afgezet bij het dorp. Zo was het haar verteld, want herinneringen had ze weinig. Ze praatte er niet graag over, omdat Roos dan vragen stelde die ze niet kon beantwoorden. Het enige dat ze wist was dat haar moeder de vader van Ahmad Idris – die toen de leiding had over het dorp – had gesmeekt of ze voor haar dochter konden zorgen. Als leider van het gastvrije dorp had hij natuurlijk ingestemd.

De moeder van Abir was ernstig ziek en met de bus op weg naar de stad in de hoop daar een arts te vinden die haar zou kunnen genezen. Idris had geen vragen kunnen stellen, omdat de gezondheidstoestand van de vrouw snel verslechterde. De bus zou slechts korte tijd op haar wachten, daarom had hij geen tijd gehad om door te vragen. De moeder van Abir was ten einde raad geweest: vanwege de reputatie als meest gastvrije dorp had ze hier aangeklopt. Wanneer ze terugkwam dan was er nog tijd genoeg om formaliteiten uit te wisselen. De dorpsoudste was al jaren geleden overleden, daardoor moest Abir het doen met deze karige informatie. Ze dacht dat ze ongeveer vijf jaar oud was toen ze aankwam, ze kende geen namen van de plaatsen waar ze met haar moeder had gewoond. Ook kende ze haar achternaam niet en wist niets over haar vader. De bewoners gaven haar onderdak en eten, maar na verloop van tijd bemoeiden ze zich steeds minder met het meisje dat opgroeide in het dorp, maar er nooit helemaal bij hoorde.

Abir kon zich haar moeder nauwelijks voor de geest halen. Wel herinnerde ze zich nog goed het gevoel dat ze er alleen voor stond en dat ze het zelf moest zien te redden. Wanneer Roos vragen stelde over haar moeder en waarom ze haar niet kwam halen, haalde ze haar schouders op en zei dat de dingen nu eenmaal zo lopen, dat ze zaken niet kan keren.

Vandaag irriteert het Roos dat Abir alles neemt zoals het komt. Er is immers bar weinig reden om enthousiast te zijn over hun eenzame leven in het dorp waarbij de dorpsbewoners hen niet zien staan en zeker niet waarderen.

‘De mensen behandelen ons hier als lucht en doen net alsof we niet bestaan.’

‘Je weet Roos dat je dit ook aan jezelf te danken hebt. Jij vertelt immers toch ook niets. Je mag blij zijn dat je hier een veilige plek hebt.’

‘Ik weet helemaal niet of het hier veilig is. Hoe kan ik nu weten of mensen te vertrouwen zijn als ze me negeren?’

‘Natuurlijk zijn ze te vertrouwen. Dat zou jij inmiddels toch moeten weten! Weet je nog hoe je welkom werd geheten? Bijna iedereen in het dorp was bij de welkomstbijeenkomst en dat wil wat zeggen.’

‘Ja dat kan zo zijn, maar na een paar dagen zei niemand meer iets. Ik ben niet gek. Volgens mij zouden ze blij zijn als ik vertrek.’

‘Hoe kom je daar nu bij? Je mag blij zijn dat niemand over je verleden begint, dat is respect!

‘Nou zo voel ik dat niet. Ze lopen letterlijk met een bocht om me heen alsof ik een besmettelijke ziekte heb. En dat doen ze ook bij jou!’

‘Dat is normaal, daar is niets mis mee. Dat is voor hun eigen veiligheid en die van ons. Je weet immers nooit waarmee je elkaar kunt aansteken.’

‘Ze negeren je, dat is de waarheid.’

‘Als je de waarheid wilt horen, dan..’ Abir stopt even. ‘De waarheid is dat de mensen weten wat ze hebben en veranderingen als bedreiging zien.’

‘Maar hoe kunnen ze je prachtige winkel als bedreiging zien? Ieder dorp zou het fantastisch vinden als er een ondernemer op zou staan die zo creatief is en zulke mooie dingen maakt. En hier lopen ze je voorbij alsof ..’

Abir laat haar niet uitpraten: ‘Sommige dingen zijn te ingewikkeld om uit te leggen. Je weet niet waarom ze dat doen. Je oordeelt te snel en je geeft overal kritiek op. Daarom mijden de dorpsbewoners je. Ik heb je al vaker gezegd dat ik je eerst niet durfde aan te spreken omdat je met een blik rondliep alsof je op ons neer kijkt.’

‘Dat is helemaal niet waar. Ik doe alles wat jullie vragen. Waar ik vandaan kom, had ik een enorm belangrijke positie en hier ben ik nog niet goed genoeg om het meest simpele werk te doen,’ antwoordt Roos hard op gespannen toon.

‘Ja dat heb je al vaak gezegd. Je moet zachter praten,’ fluistert Abir streng. ‘Voor iedereen geldt dat ze zich eerst moeten waarmaken en dat ze respect moeten tonen. Je kunt toch niet verwachten dat je als nieuwkomer de baas mag spelen? Hoe vriendelijk je ook bent tegen mij, ik heb je nog niets horen vertellen waar de mensen iets aan hebben.’

Roos reageert fel: ‘Maar dat komt omdat niemand luistert. Ik weet wel hoe dit dorp vooruit kan komen, maar niemand heeft zelfs serieus naar mijn plan willen kijken. Wat weet jij nu van de wereld? Je verlaat het dorp zelden en ik heb je nog nooit het nieuws zien volgen. Als jullie open zouden staan voor een sessie onder mijn leiding dan zou ik jullie zoveel kunnen leren. Maar de mensen willen hier niets!’

‘Meestal vind ik het fijn om met je te praten, maar als je jouw nachtmerrie op mij af reageert dan heb ik daar niet zoveel zin in. Ik heb zelf genoeg problemen om me druk over te maken, het zou fijn zijn als we het gezellig kunnen houden.’

‘Ik had je toch al gewaarschuwd,’ zegt Roos venijnig en voegt er iets vriendelijker aan toe als ze het gekwetste gezicht van haar vriendin ziet: ‘Sorry, ik kan het niet meer opbrengen dat niemand met mij praat en mij serieus neemt.’

‘Dankjewel, dus ik besta niet?’ Abir kan haar ergernis niet meer verbergen.

‘Je weet dat ik niet op jou doel. Het is fijn dat we samen kunnen kletsen, maar jij begrijpt het ook niet.’

‘Dank voor het vertrouwen!’ Met een boos gezicht geeft Abir een teken dat het gesprek afgelopen is. ‘Kom maar terug als je hersteld bent van de nachtmerrie. Je doet het allemaal zelf Roos. Je kunt ook direct vergeten wat je hebt gedroomd en gewoon leven bij de dag. Je maakt het jezelf zo moeilijk.’

‘Dat is het niet alleen,’ zegt Roos zacht. ‘Mijn baas heeft mij gisteren te schande gemaakt en vernederd voor al mijn collega’s. Ik had een fout gemaakt en..’

De jonge vrouw laat haar niet uitpraten. ‘Oh dat! Azur, de praatjesmaker zoals jij hem noemt, heeft het mij gisteren al verteld. Eerlijk gezegd vond ik zelf ook vreemd dat jij de kleuren hebt verwisseld. Je weet toch hoe belangrijk dat is?’

‘Niemand vertelt mij iets. Waarom is dat zo erg?’

‘Roos, jij bent zo slim. Waarom wil je je fout niet toegeven? Je ziet toch wel het verschil in kleur?’

‘Jazeker zie ik dat. Dit is pas de eerste keer dat ik de kleuren heb verwisseld. Waarom maakt iedereen er zo’n groot punt van?’

‘Vanwege de gevolgen natuurlijk. Jij weet alles zo goed te vertellen en zegt steeds dat je alles doorziet. Dan begrijp jij toch dat als er een lading in een verkeerde doos terechtkomt dat dit heel griezelig is?’

Roos kijkt Abir verbaasd aan.

Abir vervolgt zacht: ‘Zo moeilijk is het niet. Ik heb geen opleiding gevolgd, maar ik weet het toch ook. Het is toch logisch dat rood staat voor brandbaar en oranje voor ontplofbaar.’

‘Daar heb ik nog nooit aan gedacht.’

‘Roos, soms sta ik er verbaasd van dat je simpele dingen niet begrijpt. Als je beter luistert en kijkt, dan weet ik zeker dat alles zoveel duidelijker wordt.’

‘Weet jij dan wat er in de dozen zit?’ vraagt Roos.

‘Dat weet alleen de baas. Het is voor ons veiliger om dat niet te weten.’

‘Hoe kan het dat mensen zich daar niet druk om maken? Als de dozen gevaarlijke lading bevatten dan moeten we dat toch weten? Wie weet lopen we allemaal gevaar?’

‘Ik weet zeker dat dit niet het geval is. Jouw baas weet heel goed wat hij doet. Als er risico’s zouden zijn, dan had Idris al lang ingegrepen.’

‘Denk je echt? Volgens mij bemoeit hij zich nergens mee.’

‘Dat is niet waar. Hij houdt het zeker goed in de gaten. Je moet hem vertrouwen, hij weet wat goed is voor het dorp. Hij zorgt toch ook voor ons, dat wij hier veilig en goed kunnen wonen.’

‘Dat zie ik wat anders, maar daar gaan we het niet opnieuw over hebben. Weet jij echt niet wat er in de dozen zit?’

Abir haalt haar schouders op: ‘Nee, niet echt. Maar ik denk wel dat ze er goed aan verdienen, want jouw baas en zijn zoon hebben verschillende dure auto’s en er wordt beweerd dat ze zeker zes huizen hebben.’

‘Ben jij dan niet nieuwsgierig wat ze maken?’

‘Ik heb genoeg aan mijn hoofd. Ik ga me niet druk maken om hun bedrijf. Je hebt toch werk, wees daar blij om.’

‘En toch zie ik er vreselijk tegen op om naar mijn werk te gaan. Ik weet zeker dat ze..’

Voordat Roos haar zin kan afmaken, reageert Abir: ‘Vandaag is het weer een nieuwe dag. Ze zijn het alweer vergeten! Zo gaat dat hier. Je maakt altijd alles zo moeilijk!’ vervolgt ze iets vriendelijker. ‘Als we allemaal zo zouden zijn, dan kregen we een hartaanval of een volksopstand. Probeer iets van ons over te nemen. Zie je hier ooit iemand die zich zo druk maakt als jij?’

‘Nee, maar ik denk dat als ze het wel zouden doen het dorp een metamorfose zou ondergaan in positieve zin,’ reageert Roos opnieuw vinnig. De toon waarop Abir haar heeft aangesproken alsof ze een klein kind is, bevalt haar niets.

‘Ik weet zeker dat als je na het werk weer langskomt de wereld er anders uit ziet,’ mompelt Abir.

Roos hoort Abir met een strak gezicht aan. ‘Nou dat hoop ik ook voor jou. Ik ben benieuwd hoeveel jij straks hebt verkocht.’

Met een licht schuldgevoel, omdat Abir er niets aan kan doen loopt ze snel verder. Ze weet zelf ook niet goed waarom ze nu net de enige die vriendelijk voor haar is moet kwetsen. Voor Abir is het dorp heilig, maar dat geldt niet voor haar.

Wordt vervolgd!